Ik zag vandaag een documentaire over Alister Crowley. Voor mij een naam die ik al jaren niet meer had gehoord, terwijl het vroeger haast een oude bekende voor me was.
Jaren geleden toen ik geïnteresseerd begon te raken in de wereld van sjamanen en tovenaars, kwam ik, als vanzelf uit bij deze duistere magiër uit begin vorige eeuw.
Waarom,en wat de trigger was, die mij bracht bij de interesse voor het magisch denken weet ik eigenlijk niet meer. Het zal wel iets met Jung en Freud te maken hebben gehad, die toen nog vrij serieus genomen werden en die waarschijnlijk zo mijn aandacht op het onbewuste deed richten. Jung spreekt oa. over synchroniciteit; een betekenisvolle gelijktijdigheid. Het is een ander soort verklaringsmodel van dingen die gebeuren dan het logische oorzaak en gevolg model. Iets wat logischerwijs toevallig lijkt, krijgt zo toch een zinvol verband. Synchroniciteit maakt zaken als astrologie, tarot en I Tjing tot betekenisvolle zaken. In feite zit je, wanneer je dat allemaal aanneemt al diep in het magisch denken.
Eind jaren 80, begin jaren 90 heb ik me verdiept in allerlei vormen van magisch denken. Het was een tijdje een spannend avontuur wat zich vooral in boeken en in mijn hoofd en veel minder in de praktijk afspeelde. Praktische magie was iets waar Alister Crowley zich op had gestort in een grote trip vol experimentele sex en dito drugs, op zoek naar vrijheid, op zoek naar nieuwe paden. Veel Rock-and-Rollers, zouden Crowley later zien als hun held.

Mijn geregelde leventje ontwikkelde zich niet als rock and roll, en ook met het magie in de praktijk kon ik niet uit de voeten. Mijn zoeken verliep anders,veel gezapiger dan het extreme pad dat Crowley nam en uiteindelijk bracht het hele magische verhaal me misschien daarom wel te weinig. Ik ben gewoon gaan doen wat ik nu nog steeds doe; schilderen en beeldhouwen. Daarnaast ben ik filosofie gaan studeren. De filosofie overtuigde me meer dan de magie en ik denk nog steeds dat kunst en filosofie meer samen zouden moeten werken, zoals ook de zintuigen en het denken samen een eenheid zouden moeten zijn.
Nu is het wel zo dat de filosofie en zeker de hedendaagse academische filosofie een problematische verhouding heeft met metafysica en dan vooral het magische denken en het hogere geestelijke, goddelijke. Filosofie wil zichzelf zien als een echte wetenschap. En echte wetenschap moet zich onvoorwaardelijk binden aan de wetenschappelijke methode. De wetenschappelijke methode kan echter niets met de metafysica of met magisch denken. Het heeft geen zin om de wetenschappelijke methode toe te passen op zaken van metafysische aard, want die is daar niet voor geschikt.
Al het magisch denken wordt daarom afgedaan als bijgeloof, pseudowetenschap of gewoon geleuter. En natuurlijk heeft de wetenschap daarin gelijk. Tenminste, gezien vanuit de wetenschap zelf. Die heeft immers geen middelen om dit soort denken en dit soort handelen te meten en kàn dus niet anders dan deze zaken onwetenschappelijk noemen. En iets onwetenschappelijk noemen is in ons denken meteen ook iets diskwalificeren.
De vraag blijft of niet-wetenschappelijk meetbaar denken en handelen, meteen ook inhoudt dat dit denken en handelen van geen belang, of zonder betekenis is.
Ik ken geen mens die zich nooit schuldig maakt aan magisch denken om daarmee betekenis aan gebeurtenissen te geven. Het feit dat we allemaal de behoefte hebben, een hang naar het magische, het mystieke of het hogere-op welke manier dan ook- is dat van tafel te vegen als een restant van onnozelheid, of is er toch meer aan de hand?
Ik mag daar graag over nadenken onderweg naar mijn atelier, of tijdens een ommetje in het park. Een behoorlijk antwoord kan ik echter in de verste verte niet geven…