Laatst kwam er een heer op mijn atelier. Hij had eerder gebeld of hij een keertje langs mocht komen. Natuurlijk mocht dat. Ik legde ondertussen de laatste hand aan het beeld hierboven. De heer trok meteen van leer:
‘Ah!’, riep hij toen hij het ding aanschouwde, ‘ de verticaliteit die zich hier als een drie-eenheid manifesteert in het gestoelte is sprekend en dominant aanwezig. De horizontale lijn van het tafelblad is een duidelijke scheiding tussen de bovenwereld en de benedenwereld.’ Hij wees en zwaaide met zijn beide handen tegelijk.
‘Onder de tafel zien we de lagere dierlijke instincten aan het werk. Daar staan ook drie flessen aqua vita, het levenswater. In de bovenwereld heerst de ratio. De setting daar is die van redelijkheid, beschaving en overleg, natuurlijk met koffie als vergadervocht.

De heer zweeg even en deed een stapje terug. Ik keek hem grijnzend aan, maar hij bleef wijzen en keek strak naar het beeld. ‘ De gehele wereld rust op een zwevend tapijt, op het diepe blauw van de oerzee.
Het lijkt mij duidelijk dat de Darwinistische kijk aan de ene kant, en het idee van een scheppende God aan de andere kant hier tot een synthese zijn gekomen.’
Hij wendde zich vervolgens naar mij en vroeg me, ‘ wat bedoel je met dit beeld? ‘
Ik keek hem nog steeds grijnzend aan, ‘ kopje koffie?’ vroeg ik hem.