“In den beginne is er het woord”.

“Elk woord, elke zin is een machtsgreep”. Ik weet niet meer
welke Franse filosoof (of was het toch weer Nietzsche?) dit balletje ooit naar mij gooide, maar het is wel een
zinnetje wat is blijven werken in mijn hoofd.

Toen ik het voor de eerste keer hoorde vond ik de uitspraak
nogal ver gezocht; eerder een gooi in het wilde weg dan een rake opmerking. Ik wist het
zinnetje ook niet goed te plaatsen in mijn eigen gedachtewereldje en wanneer nieuwe informatie niet opgenomen kan worden in het verhaal waarin ik leef, dan kan ik de informatie ook niet echt proeven, dan blijft het niet meer dan een losse opmerking.
Het was vooral het idee van ‘macht grijpen’ wat ik in eerste instantie nogal gezocht en overdreven vond en waar ik problemen mee had.
Het woord ‘macht’ vond ik topzwaar, eigenlijk vooral omdat ik vond het misbruikt werd door mensen die zich graag in een slachtofferrol wilde manoeuvreren. Alles is immers beter dan bekennen dat je ergens niet geschikt voor bent, dat je begrenst bent en iets niet kunt. Nee, dan liever een macht van buiten die jou begrenst, die jou frustreert…

Ik weet dat ik het gebruik van woorden toen eerder zag als bezweringen. Bezweringen tegen het ongrijpbare in de wereld en het leven in het algemeen. Woorden waren bedoeld, zo dacht ik toen, om de dingen een vaste plek te geven. En wanneer je iets een plaats geeft, kun je het begrijpen en
wordt het minder eng of vreemd.
Dus woorden zijn in die zin bezweringen voor
gebeurtenissen en dingen; eigenlijk voor alles wat stroomt en beweegt. Kortom, woorden zijn bezweringen tegen het leven zelf.
Ik vond dat een vrij duidelijk
verhaal, maar het lukte me niet echt om het duidelijk over het voetlicht te krijgen, behalve dan bij wat vage ypes die geloofden in ‘Dungeons and Dragons’.

Natuurlijk zie ik nu dat mijn duiding van woorden als bezweringen en Nietzsches duiding als machtsgreep in feite heel dicht bij elkaar liggen. Er is een verschil tussen woorden zien als bezwering en woorden beschouwen als een
machtsgreep, Zo is de bezwering volgens mij vooral reactief en defensief en de machtsgreep eerder
actief en offensief en blijkbaar wilde ik de stap van verdedigen naar aanvallen niet makkelijk maken.

Wat langer stilstaan, dankzij gesprekken over het menselijk bewustzijn, bracht mij ertoe om een stap te zetten in de richting van het idee van taal als (een activistische) machtsgreep op de werkelijkheid.
Wij zijn uiteindelijk niet meer dan ons brein, zeggen veel neurobiologen en hersenonderzoekers. Maar, zo is de vraag , is dat ook zo, of is dat toch wat te reductionistisch gedacht en is het reductie denken hier niet een
te mager denken?
Bij mij voelde de stelling ‘we zijn ons brein’ niet lekker en ik keerde me daarom meteen en nogal stellig tegen dit reductionistisch
denken. Gewoon instinctief. Pas later kwamen de argumenten. Ons bewustzijn valt niet samen met onze hersenen, ons
bewustzijn is eerder een samenspel tussen onze binnenwereld en de buitenwereld,
om het heel kort door de bocht te zeggen.
Ons denken maakt gebruik een
gereedschap dat zich zowel in de binnenwereld als in de buitenwereld bevindt. Dat gereedschap doet ons verschillen van alle andere dieren.
Het is de
taal.
Wat wij ervaren als denken is zonder taal
onmogelijk. Zonder woorden wordt alles een brei. Wanneer wij iets uit
die brei willen trekken, dan geven we het een woord. Zo gauw dat stukje brei een
woord krijgt, wordt het een ding, een geïsoleerd stukje werkelijkheid wat wij
het door te benoemen helder en wel onderscheiden kunnen waarnemen.
Taal en denken zijn onlosmakelijk aan elkaar gekoppeld en zowel taal als denken bestaat niet niet alleen bij de gratie van ons brein, maar ook bij de gratie van de medemens, de omgeving de wereld als geheel. Bewustzijn speelt zich dus niet alleen af in onze hersenen, in ons brein , maar altijd in wisselwerking met de buitenwereld.
Tot zover zou je onze woorden nog steeds bezweringen kunnen noemen, maar het gebruik van woorden reikt verder. De woorden creëren onze werkelijkheid ook.
Ons bewustzijn van hoe de wereld eruit ziet en hoe ik eruit zie, is mede afhankelijk van ons denken en van onze woorden. Maar, is dan de vraag, wie of wat bepaalt welke woorden wanneer gebruikt worden? Want woorden worden gekozen. Wie of wat bepaalt dus deze keuze?
Zo komt het idee dat iedere zin, ieder woord een machtsgreep
is, steeds dichter bij. De zin ‘elk woord is een machtsgreep’wordt bijna vanzelfsprekend. De taal, de woorden en de zinnen, bepalen onze wereld.
Andere woorden brengen een andere wereld. Degene die de woorden kiest en
bepaalt, kiest en bepaalt hoe onze wereld eruit ziet.
Daar zit precies de macht van het woord, de macht van de
zinnen, de macht van de taal.

Wanneer wij mensen, niet alleen de ander maar ook onszelf, door middel van taal reduceren tot bijvoorbeeld een Nederlander, een student, een slachtoffer, een vluchteling, moslim of racist dan zullen we onszelf en de ander ook op die manier gaan zien en benaderen, , dan zal onze werkelijkheid ook in eerste instantie ook bestaan uit Nederlanders, studenten, slachtoffers, moslims en racisten.

Niet het geld, maar de taal, de woorden en de zinnen bepalen
uiteindelijk waar de macht ligt en wie de macht in handen krijgt. Ieder woord,
iedere zin is een machtsgreep. Alleen door bewust te worden hoe ver het woord
werkelijk reikt, kunnen we ook met woorden een leefbare wereld maken.
Natuurlijk heb ik het niet over het gebruik van lege woorden.
Het gaat over woorden die relaties aangaan met dingen in de wereld.
Een andere wereld begint met andere woorden, die onze beleving van de werkelijkheid geheel naar hun hand zetten.
In den beginne is er het woord.
En wij zijn het die daarmee beginnen.
Misschien is het een goed idee om de woorden daarom bewuster te gebruiken?