Met God op
de kunstbeurs

Afgelopen weekend stond ik op een kunstbeurs met een eigen
stand. Normaal doe ik dat soort dingen niet, ik laat me meestal
vertegenwoordigen door een galeriehouder. Dat werkt beter en ik hoef dan geen
dingen te doen waar ik niet goed in ben.
Maar afgelopen weekend vertegenwoordigde ik dus, tegen beter weten in,
mezelf.

De laatste zes maanden heb ik in mijn atelier een dertigtal
moderne meesterwerken nageschilderd. Van Picasso tot Warhol, van Van Gogh tot
Hopper, van Matisse tot Kandinsky, een mooie
dwarsdoorsnede van moderne
meesters, vind ik. Al het gekopieer wordt gekaderd door een kunstmanifest tegen de
blinde vernieuwing. Een kritisch geluid richting de kunstwereld leek mij niet
overbodig en na het lezen van recensies
over de Nederlandse bijdrage aan de biënnale van Venetië en de in Kassel
gehouden Documenta, voelde het zelfs akelig relevant. Enfin, ik had er allemaal goed over nagedacht en hard aan gewerkt. Het leek mij wel aardig om het project op deze
kunstbeurs, waar ik eerder had toegezegd te komen, te presenteren. Niet mijn meest vruchtbare actie, zo moest ik
helaas uitvinden.

Wat voor mij wereldberoemde werken waren, werden door
het gezellig kuierende publiek
nauwelijks of niet herkend. Uiteindelijk
werd de Van Gogh nog wel enigszins
als dusdanig gespot, ook de Campbell’s
tomato soup
van Warhol liet wel
hier en daar een belletje rinkelen, maar over het algemeen bleek er een ernstig
gebrek aan kennis. En die kennis was
toch eigenlijk wel een voorwaarde voor het
kunnen waarderen van het project als zodanig. Natuurlijk waren er ook een aantal
connaisseurs die probleemloos ieder werk konden thuisbrengen, maar de meeste
beurs bezoekers hadden geen benul en liepen, al dan niet aan een glas witte
wijn lurkend, keuvelend en vriendelijk glimlachend langs de vele naar verkoop
hongerende kunstenaars.

Het kapitalisme lekker aan het werk zogezegd. En dat was nou
precies wat ik probeerde aan te kaarten, zo vond ik. Immers zo stond geschreven
in mijn breed geëtaleerde manifest, dat de kunstenaar niet meer was dan een
promotor van het kapitalistische systeem. Vrij, individueel, autonoom, creatief
en vernieuwend worden welliswaar zowel door de kunstenaar als het kunstminnend
publiek gezien als de rebelse karakteristieken , maar ondertussen zijn deze
hoedanigheden al lang op hegeliaannse wijze geïncorporeerd door het systeem .
Of nog wat strakker geformuleerd; het kapitalistische systeem eist precies die
kwaliteten van iedere burger die al sinds het begin van de moderne kunst door
de kunstenaar worden vertolkt. Vernieuwing, flexibiliteit, een levenslang
doorlerend individu, dat is precies het pakket wat het systeem nodig heeft om
zo soepel mogelijk te kunnen doorgroeien. En iedereen weet, het kapitalistische
systeem moet groeien, zo als de haai die altijd rusteloos moet doorzwemmen om
niet te sterven.

Goed, al met al zou je dus kunnen argumenteren, dat ik hier
op het juiste moment op de juiste plaats stond met de juiste boodschap.
Oftewel, iedereen en alles was er klaar voor. Maar de praktijk bleek ook deze keer weer weerbarstiger dan mijn van te voren
bedachte theorie. De meeste bezoekers
die ik aansprak kwamen vooral voor een gezellig event, een leuke annecdote ging er meestal nog wel
in, maar daar lag toch meteen ook de grens.
“Sorry, maar ik moet verder, veel succes”. Eigenlijk kan ik ze geen ongelijk geven. In al
die andere stands was immers ook nog van alles te zien. Entertainment moet wel
leuk blijven, toch?

De laatste dag van de beurs raakte ik tegen de verwachting
in opeens toch nog in een lang geprek met een zeer enthousiaste jonge man.
Ergens in het gesprek, toen hij ook nog probeerde te luisteren naar mijn verhaal,
trok hij het initiatief naar zich toe.
In een paar snelle stappen kantelde hij het onderwerp van de kunst,
via hoe bepaal je wat kwaliteit is en wat is waar, naar het geloof. Hij had namelijk God ontmoet. “Persoonlijk?”,
vroeg ik, toen nog licht geamuseerd, maar dat had ik beter niet kunnen doen,
want hij gebruikte mijn vraag als een inkoppertje en daarna was de jongeman
niet meer te stoppen. De bijbelteksten , zijn bekering, het goede en het foute pad waar je tussen diende te
kiezen, het werd allemaal panklaar uitgerold.
“Ik ben niet zo van het dualistische bias denken, alle wegen leiden toch naar Rome?” opperde ik
nog, om zo een kans te creëeren om wat differentiedenkers op tafel te gooien…
Maar
dat was niet. “Als je de verkeerde afslag neemt dan kom je niet in Rome, dat
lijkt mij evident., dan kom je bevoorbeeld in Berlijn of Parijs” zo wist hij.
“Maar met alle wegen leiden naar Rome, bedoelt men niet een slecht werkende
TomTom”, probeerde ik met een laatste kwinkslag, om de zaak wat luchtig te
houden, “ze bedoelen eerder, alle wegen
leiden naar God,toch? Dat is dus eigenlijk een differentiedenk…” “Nee, nee, nee”,
wist de newbornchristian zeker, er is maar één weg, de bijbel zegt…” Ik haakte
af. Ik zag nog wel de blije glans in zijn ogen, natuurlijk omdat hij eindelijk
los kon gaan over God, waarmee hij een persoonlijke ontmoeting had gehad. “Zou
ik er ook zo uitzien?”, wanneer ik enthousiast vertel over mijn kunstproject
aan de toevallige beursbezoeker die per ongeluk wat langer blijft staan in mijn
stand?” Ik voelde me nog misplaatster dan dat ik al was.

Na een vermoeiende driekwartier vertrok de diepgelovige zieldragende gelijkhebber
tevreden verder. Ik ben daarna aan de bar een biertje gaan drinken. Naast me zat een
ouwe kunstenaar aan de wijn. “Hoe gaan de zaken bij jou?”, vroeg hij me nog,
maar ik zag dat het antwoord hem zowiezo niet interesseerde, hij had zich al omgedraaid voor ik mijn mond kon openen. Hij sloeberde lamlendig aan zijn wijntje. God had hem niet
persoonlijk bezocht, dat leek mij evident.