Soms ben ik net een cirkelende mot.

Ik weet niet wat het is, maar soms
blijf ik maar rondcirkelen, ik weet vaak niet eens waar ik rond cirkel. Iets
wat ik niet kan vatten heeft dan mijn aandacht en het dwingt me tot cirkelen.
Ik word er doodmoe van, wellicht omdat ik zeker weet dat het cirkelen niet tot een AHA-Erlebnis, of een Eureka!-momentje
zal leiden.

Dat cirkelen van me voelt als denken
zonder woorden. Daar heb je ook niks aan. Want zeg nou zelf, waar denk je aan
als je er geen woorden aan kunt geven? Dat kan ik in ieder geval niet een
vruchtbaar denken noemen. Alleen de woorden, of beelden dragen uiteindelijk de
vruchten van het denken. Natuurlijk
zullen de zen-boedhisten onder ons het niet met me eens zijn. Daar gaat het
juist om aandachtloze aandacht, ongeconcentreerde geconcentreerdheid, of
ongerichte gerichtheid.

Dit soort mistige wijsheden worden in
bijna elke karate B-film lekker plat en met veel bombarie uit de doeken gedaan;
de dommige, maar vastbesloten vechtstudent snapt maar niet waarom hij maandenlang
de vloer moet vegen en de tegels moet schrobben. Hij ziet (nog) niet in dat dit
nu juist de absolute toptraining blijkt te zijn voor de ultieme vechtjas, die
hij aan het eind van de film ook blijkt te zijn geworden. Vegen en schrobben,
niet meteen al schoppen en slaan, is hier het devies zoals de oude meester tegen de karate kid
zegt, terwijl hij zijn auto staat te wassen; ”rub in, rub it out, rub it in,
rub it out…”

Je kan met andere woorden, het fel
begeerde doel alleen bereiken via een omweg, zonder dat je werkelijk beseft wat
je doet. Nooit direct, Ik heb het altijd
een onzinnige methode gevonden dat vegen en en schrobben, net als cirkelen rond
iets waarvan je niet weet wat het is, of proberen te denken zonder taal.

Toch cirkel ik met regelmaat.

In mijn atelier, of in het park waar
ik vaak achtjes loop. En ik geef daar aan toe, gewoon, omdat ik dan niet anders
weet. Ik ben daarin niet alleen, zover ben ik al wel.

Gisteren kwam er iemand werk ophalen
in het atelier. De bedoeling was even snel er in en eruit, maar op een of
andere manier kwamen we met elkaar aan de praat en voor we het wisten hadden we
het over Gilles Deleuze de Franse filosoof die de laatste jaren als een
plaaggeest in mijn leven waart, wellicht omdat hij alleen begrijpbaar is als je
hem niet probeert te vatten. Deleuze
predikt een hiërarchieloos, immanent denken.

Alleen immanent denk je écht, creëer
je echt en schep je de werkelijkheid.

Helaas heeft ons denken zich
ontwikkelt via een andere route, namelijk die van het transcendent denken.

In het kort werkt dat als volgt:

Wanneer je transcendent denkt, dan
stap je volgens Deleuze met je denken buiten de werkelijkheid zoals die hier en
nu is.

Je denken herbouwt in je hoofd de chaotische
werkelijkheid tot een begrijpelijke constructie.
Deze reconstructie representeert slechts, maar is die de werkelijkheid niet. Zo krijgen we
weliswaar een begrip van de chaos die we waarnemen, maar daar betalen we een
grote prijs voor. De denkconstructie
weerhoudt ons van direct contact met het ‘zijn’ . Oftewel ons denken bouwt een
muur tussen ons en het ‘zijn’, de werkelijkheid. Zo schuift het idee boom, tussen ons en de boom an sich. We ontmoeten de singuliere boom niet meer, we ervaren
nog slecht de idee, of het woord, boom.

Daar hadden we het dus over, die man
die mijn werk kwam ophalen en ik. Na anderhalf uur vertrok hij weer en ik dacht
te weten dat hij er net zo verward uitzag als ik me voelde.

We hadden alletwee ons best gedaan om
wat licht te werpen op het immanentie denken van Deleuze. Het hield hem al
jaren bezig, had hij aan het begin van ons gesprek nog enthousiast geroepen, en
hij lachte uit herkenning toen ik Deleuze benoemde als mijn kwelgeest van de
laatste tijd. Maar na het vrolijk uitwisselen van wat Deleuziaanse
slimmigheden, raakten we op het pad van het immanente denken en al na een paar
stappen verloren we elk gevoel voor richting en cirkelden we samen in een
dansloze dans, op de muziekloze muziek. Zonder ankers, zonder fundamenten, werd
het leger en leger in de Deleuziaanse woestijn. We probeerden nog de methode
van stamelen en stotteren en kwamen zo op een plekloze plek zonder woorden en
wisten geen gedachte meer te formuleren. “Cul de sac “, riep ik na een tijdje
en ik zag dat de bezoeker het schilderij oppakte en aanstalte maakte om te
vertrekken.

Voor hij de deur achter zich
dichttrok, draaide hij zich naar me toe en zei;
“soms voel ik me net een cirkelende mot”. Dan was hij weg.

Ik
bleef daarna nog wat kauwen op de mot. Waarom cirkelen ze eigenlijk rond
een lamp, het zijn toch nachtdieren, die houden toch helemaal niet van zoveel
licht?

Motten oriënteren zich met behulp van
de maan, las ik later na even googelen op een mottenforum, ze denken dat de
lamp de maan is en raken, wanneer ze bij een lamp in de buurt komen, alle
gevoel voor richting kwiijt. Er rest ze niets dan te cirkelen rond de lamp,
want dan hebben ze blijkbaar het idee dat ze goed zitten.

Onwillekeurig moest ik denken aan
mijn cirkeldenken.

Hoe zit dat?

Draai ik rond een fantoommaan?

Een valse lamp?

En wat is dat dan, dat mijn denken
doet cirkelen? Is het de transcendentie
van de woorden en ideeën, of is het juist de poging om zonder woorden
immanent te denken?

Deleuze zou willen dat ik het licht
uit deed, en wel op een maanloze nacht, maar zoveel duisternis in één keer,
daar cirkel ik liever op een veilige afstand vandaan.