houten beelden

Ik zit nu midden in een periode waarin ik houten beelden maak. De boomstammen die ik afgelopen zomer verzameld had, heb ik nu bijna allemaal omgezet in zittende honden. Ik heb er twee rood geverfd, maar ik ben nog niet zeker van deze kleur, dus ik laat ze nog even staan om te kijken of het rood blijft kleven. Ook wil ik nog iets met de groep doen in een presentatie, maar ik weet nog niet goed wat. een eerdere ingreep waar twee losse zittende honden tot een beeld werden was voor mij een verrassing. Er kwam plots een geheel ander beeld uit mbv een kleedje en een waslijntje: Naast de honden die dus nog zitten te wachten op een brainwave die een meerwaarde tovert, ben ik bezig met interieurtjes; kasten met oa. op Morandi’s schilderijen geïnspireerde stillevens uitgevoerd in hout, maar ook met vissen al dan niet met nieuwe vinnen (overgebleven boomblaadjes op de grote tropische vissen werkte hier plots erg expressief–>zie foto’s hierboven).
Ook de tafel en stoelen /interieurs krijgen langzaam vorm.
Het atelier slibt langzaam maar zeker dicht…
Ach, is wel lekker gezellig.

What Isis really wants

Soms lees je iets waarvan je het gevoel hebt dat je opeens meer inzicht in iets krijgt. Een paar dagen geleden las ik een artikel van Graeme Wood, What ISIS really wants, wat precies dat bij mij bewerkstelligde. Na het lezen van dit artikel had ik het gevoel dat ik nu pas snapte waar al die Syriëgangers mee bezig waren. Het algemene verhaal, het door mij wat abstract ingevulde idee, werd dankzij dit schrijven prachtig gestoffeerd. Ik kreeg heel specifiek ingevuld wat voor deze kalifaat-moslims een heilige waarheid is.
Al Queda en ISIS lijken op een afstand, voor ons Westerlingen allemaal bezig met hetzelfde, maar niets is , volgens Wood minder waar. Bij ISIS draait alles om het kalifaat. Er moet een kalifaat zijn, want alleen binnen de context van een kalifaat kan de sharira, en de wil van Allah uitgevoerd worden. En alleen dán kan de moslim ook zijn die hij volgens Allah zou moeten zijn en kan hij de hel in het leven hierna ontlopen.
Ik weet het, zoals ik het hierboven schrijf klinkt het allemaal kort door de bocht en wellicht algemeen bekend, maar lees het artikel; Google Graeme Wood, What ISIS really wants, en het hele verhaal rolt zich in alle geuren en kleuren uit.
Hulde aan Wood.

Een andere gedachte die bij me opkwam, toen ik hier over nadacht, was hoe groot het belang is van de vorm. In de kunsten hebben we het altijd over de harmonie tussen inhoud en vorm. Wanneer de vorm de inhoud overschreeuwt spreken we bv. over kitsch. Wanneer de vorm te weinig aandacht krijgt wordt de inhoud onverteerbaar en onbegrijpelijk.
Om iets tot goede kunst te maken, zo beweert men, moeten vorm en inhoud , vorm=inhoud worden.
Ook hoorde ik ooit een schrijver eens beweren dat de inhoud iets is wat altijd weer herhaald wordt.
‘Inhoudelijk zijn er maar een paar verhalen te vertellen’, zo beweerde hij en die worden steeds weer opnieuw verteld. Het is juist de vorm die ervoor zorgt dat de inhoud weer met nieuwe ogen bekeken kan worden, weer opnieuw tot leven kan komen. Zo wordt een vrij beperkte, maar voor ons essentiële inhoudelijkheid elke keer opnieuw leven in geblazen. En dat is meer dan ‘slechts’ oude wijn in nieuwe zakken.
Het lijkt iets wat we steeds weer moeten doen, om de aandacht vast te kunnen houden.
Precies daarom zouden wij ook iets kunnen leren van de geschiedenis, omdat inhoudelijk gezien steeds weer dezelfde verhalen naar boven komen. Helaas zien we dat haast nooit, omdat de vorm van die verhalen steeds weer anders is. En we zien de inhoud slechts dóór de vorm. Steeds weer komen nieuwe vormen die de inhoud anders te tonen en steeds weer staan we verblind door die vormen te kijken naar dezelfde inhoud als iets compleet nieuws.
Ik denk niet dat we de inhoud, daar waar het werkelijk om gaat, ons ooit vormeloos eigen zullen kunnen maken. We hebben de vorm teveel nodig om de naakte waarheid ooit blijvend te kunnen ervaren.

We zullen het moeten doen met af en toe een klein, kortstondig, vormend inzichtje…

‘me against us’

Een paar dagen geleden had ik nog hoge verwachtingen van het debat in de kunsthal. Inmiddels ben ik geweest. Helaas voldeed het debat niet aan mijn verwachtingen, maar de eerlijkheid gebiedt me te vermelden dat dat hoogstwaarschijnlijk meer te maken had met mijn veel te hoge verwachtingen. Het debat werd weliswaar nooit een debat (eerder een aantal monologen), maar de input was niet slecht. Twee filosofen, een curator en een kunstenaar, wiens werk centraal stond in het gebeuren ene Bjorn Melhus; een videokunstenaar. In zijn laatste video ‘The theory of freedom’, refereert hij aan de ‘grand old Lady’ Ayen Rand die met haar filosofie , die zij’ objectivisme’ noemt, een laissez-faire-houding van de overheid bepleit. Economisch gezien ziet zij een totale vrije markt als de enige juiste weg. Ze is dus feitelijk een libertijn, die een rationeel gedreven eigenbelang als de enige juiste motivatie ziet. Haar boeken ,’ the fountainhead’ en ‘Atlas shrugged’, zijn, zo beweert men, na de bijbel de best gelezen boeken in de USA.
Dat is mooi, maar dat wist ik allemaal al. Daarvoor hoefde ik niet naar het debat.
Ook Foucault en Deleuze kwamen voorbij, maar zo lichtvoetig en snel, dat ik ook daar niets mee kon. Verder werd er gesproken over de positie die een hedendaagse kunstenaar nog kon innemen. De twee uitersten waren; geheel autonoom kunstenaar tegenover zoiets als ‘community artist’, oplossend in sociale processen. Hier kwam dus Rancière (zonder dat hij genoemd werd) om de hoek zeilen. Voor Rancière is het daarbij van belang dat kunst nooit consensus, maar altijd dissensus bewerkstelligt.
Het gaat dan om de spanning om radicale gelijkheid te bewerkstelligen in een systeem dat hiërarchisch is geconstrueerd.
Vragen als, ‘kan iemand (kunstenaar of niet) überhaupt ooit autonoom zijn?’ (nee dus), en ‘hoe zal het kunstenaarschap zich gaan ontwikkelen?’, werden niet echt spannend beantwoord. Wellicht omdat iedereen van het panel er een zelfde, aarzelende, maar goed onderbouwde mening op na hield. Het bleef een voorzichtig manoeuvreren van intelligente beschaafde mensen van goede wil.
De nieuwe posities van de toekomstige kunstenaar werden voorzichtig omschreven als achtereenvolgens; er moet een metapositie worden ingenomen, kunstenaars moeten in een coproductie met andere terreinen aangaan en kunstenaars zullen hun speciale positie verliezen (oftewel ;het kunstreservaat zal worden opgeheven). Vooral die laatste opmerking vond ik prikkelend, maar hoogstwaarschijnlijk omdat die dicht ligt bij mijn eigen overtuigingen. De prikkeling was blijkbaar een zelfbevestiging.
En dat is eigenlijk precies wat dit debat was voor mij, een bevestiging van de dingen die ik al wist of kende.
Maar is zo’n bijeenkomst dan juist goed, of toch overbodig voor mij?

over vrijheid

Ik ga a.s. vrijdag naar een discussieavond/lezing over vrijheid. Vrijheid in de kunst. Het gebeuren vindt plaats in de kunsthal en valt gelijk met ART Rotterdam. De titel van het gebeuren vond ik heel interessant in het kader van vrijheid nl.: me against us.
Ik heb , wanneer ik zo’n titel lees, meteen het idee dat er slimpiepers aan het woord zullen komen. Ik heb me dan ook meteen ingeschreven, want wie wil er nu niet naar slimpiepers gaan luisteren. Verder gaat het natuurlijk over de combi kunst en filosofie. En die combi interesseert me. Een van de sprekers heeft een boekje geschreven over Badiou. Een boekje dat gaat over inesthetiek. Dat boekje heb ik gebruikt voor mijn eindscriptie van mijn filosofiestudie. Ik heb dan ook hoge verwachtingen.

Vrijheid in de kunst interesseert me eigenlijk niet eens. Eigenlijk vind ik vooral het abstracte begrip vrijheid intrigerend. Vooral omdat wanneer je vrijheid in zijn abstractie radicaal doordenkt, je in een onmenselijk, onleefbaar gebied terecht komt. Een totaal losgeslagen zijn en een verlatenheid die wij mensen niet eens kunnen beginnen te begrijpen of te voelen. Waarom, zo vraag ik me vaak af brult iedereen dat ze vrij willen zijn?
Derrida schreef ergens, ‘Er is niets buiten de tekst’, een docent duidde dat met, er is alleen context, alles is context.
Ook zoiets als vrijheid krijgt dus pas betekenis voor ons, opgesloten binnen een context.
De context, me against us, vind ik een hele mooie. We zitten immers in allebei de kampen.
‘me’ vraagt om vrijheid, maar ‘us’ vraagt dat ook. Hier hebben we een mooie framing van een hedendaags vrijheidsgevecht, naast bv. wij tegen zij, of ik tegen de rest, of ik als individu tegen de samenleving…hoewel dat laatste voor de wat minder bevooroordeelde medemens heel erg lijkt op me against us.
Goed.
Ik laat het hier even bij.
Na vrijdag, na de bijeenkomst van, me against us, meer.
Hoop ik.

Voor of tegen?

Deze cartoon komt uit de groene en is van de hand van Joep Bertrams.
Deze cartoon verbeeldt in ieder geval één van de vele gevoelens of gedachten die ik over het hele gebeuren van en na de aanslagen in Parijs heb.

“You’re either with us, or against us”, zei ook George W. Bush al op 6 nov 2001.
Sterke emotioneel getinte meningen geven nu eenmaal weinig of geen ruimte aan andersdenkenden.
‘Vrije meningsuiting is een groot goed’ en ‘het gaat over onze manier van leven die we moeten beschermen’ : het is allemaal waar, maar al te vaak gaat de bescherming ten koste van andermans vrijheid en andermans vrije meningsuiting.
Soms lijkt het er op dat mensen niet gebouwd zijn om de normen en waarden van andere groepen van mensen te kunnen respecteren. Vrije meningsuiting, als die er al is, wordt, lijkt het soms, alleen als een bevestiging van en binnen de eigen groep gewaardeerd.
Is -dom roepen, ook een vrije mening uiten, of is dat alleen maar -dom doen?
En wat moeten we met dom gebral in de openbare ruimte?
Moeten we domme meningen ook respecteren als een onaantastbare vrije meningsuiting, of moeten we die meteen afkappen en de mond snoeren?

Ik vind de posities en de ontwikkelingen op dit vlak heel erg ingewikkeld.
Of het nu dom gebral is, of slimmige rationaliseringen van vooringenomen emotionele of irrationele standpunten, of laffe tussenposities omdat men geen confrontaties wil;
wat het ook is, ik zie of hoor nergens oplossingen. Ik zie slechts pogingen om, hoe dan ook, de eigen positie te versterken. Verder niets.
We zijn’ menselijk, al te menselijk’, schreef Nietzsche al, geestelijk ‘laf en lui’.
Het is moeilijk Nietzsche hierin niet gelijk te geven.
Nietzsche droeg het boek(1886) op aan de ‘vrije geesten’,
hoewel hij twijfelde of die er ook waren.
Bestaan die vrije geesten nu wel?
Wie is een ware vrije geest, of, hoe word je dat?
Misschien zouden we ons eerder moeten concentreren op het werken aan het
zelf-worden-van-een-vrije-geest, in plaats van, zonder te weten wat het inhoud, van alles te roeptoeteren over vrije meningsuiting, vrijheid en democratie.
Ach, ik weet het:
het is moeilijk…en;
er is heel veel werk aan de winkel.

Aanslagen in Parijs.

Hoe meer ik hoor en lees over de aanslag in Parijs, des te minder ik weet wat er over te zeggen. De eerste woorden moeten natuurlijk altijd zijn dat het verschrikkelijk is en dat ook ik tegen geweld ben. Maar in feite zeg ik dan alleen, dat ik behoor tot de categorie redelijke mensen die dit soort dingen nooit zal doen; ik behoor niet tot het een of ander kamp van fanatiekelingen, met mij valt te praten. Oftewel ik zeg niet zozeer iets over wat er is gebeurd, maar wat mijn positie is in deze gebeurtenis. Ik definieer dus mezelf.
En deze definiëringen, daar gaat het steeds weer om. Met het ‘Je suis Charlie’, zeg je niet anders dan dat je tot dezelfde groep behoort als die van de vermoorde mensen van het tijdschrift Charlie Hebdo, dat doen ook mensen die nog nooit van het tijdschrift hebben gehoord. Bijna niemand is het eens over wat vrije meningsuiting precies zou moeten inhouden, maar redelijke mensen, democratische mensen zijn er voor en fanatieke religieuzen zijn er tegen.
Er wordt weinig geanalyseerd, er wordt vooral gedefinieerd; wie staat waar, wat zijn de posities, hoe lopen de hazen… Wie behoort tot welk kamp. Dat lijkt, in veel praatjes en schrijven die ik hoor en lees, waar het om draait. Dat lijkt het enige wat men echt wil weten. Immers, zo gauw we weten wie tot welk kamp behoort, weten we iemands agenda. We willen van iedereen horen welke positie hij of zij inneemt, tot welke groep hij of zij hoort. We eisen transparantie. Niet alleen van de overheden, de banken en multinationals, maar ook van eenieder individuele leven. We geloven dat wanneer er transparantie is, we de zaken ook kunnen plaatsen en er grip op kunnen krijgen.
De hele wereld moet transparant.
Maar totale transparantie is, lijkt mij geen oplossing.
Totale transparantie leidt slechts tot een onnoemelijke hoeveelheid informatie. Informatie zonder duiding is geen kennis. En zonder evenwichtige duiding is er geen wijsheid. Maar wat maakt duiding evenwichtig…?
We zijn allemaal bevooroordeeld, dus zullen daar we allemaal wel een ander antwoord op hebben, denk ik.

Een discussie die meer op de achtergrond plaatsvindt is of al deze spanningen nu te maken hebben met een identiteitsstrijd of met een ideologiestrijd die gevoerd wordt in een wereld die in transitie is. Die discussie vind ik persoonlijk een heel interessante.
Daar kom ik later op terug.

Het godsbewijs van Rutten

Soms kom je dingen tegen op het internet die je aandacht trekken. Zo zag ik ergens op het net: “Godsbewijs van Rutten”. Helaas bleek het hier niet om Mark te gaan, maar om een zekere Emanuel. Dat vond ik een beetje jammer. Ik had graag de voorman van de VVD en premier van onze regering tijdens het vragenuurtje of halverwege het wekelijkse interview zien willen komen met een Godsbewijs. Even iedereen op het verkeerde been zetten; tussen neus en lippen en andere politieke kwesties door eventjes een onweerlegbaar Godsbewijs op tafel leggen. Maar het was dus niet onze Mark, het was Emanuel.
Jammer, maar wat was het bewijs voor het bestaan van God van Emanuel Rutte dan?

hier komtie dan;
1. alle proposities (beweringen) die noodzakelijk onkenbaar zijn, zijn noodzakelijk onwaar.
2 ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onkenbaar.
dus: ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onwaar.
Derhalve: God bestaat noodzakelijkerwijs.

Huh?

Maar, denk ik dan meteen na die huh;
1. alle proposities (beweringen) die noodzakelijk onkenbaar zijn, zijn noodzakelijk onwaar.
2 ‘God bestaat wel’ is noodzakelijk onkenbaar.
dus: ‘God bestaat wel’ is noodzakelijk onwaar.
Derhalve: God bestaat noodzakelijkerwijs niet.

Maar, ik moet er wel bij zeggen dat de logica-kennis nooit echt diep in mijn denken heeft kunnen indalen. Ik blijf steeds weer terug te vallen op mijn intuïtie, waardoor alle contra-intuïtieve zaken, wanneer de logica deze intuïtie ‘overruled’, aan mij voorbij wensen te gaan. Iedere keer weer heb ik dan de neiging om de fout in te gaan. Alleen door heel veel te oefenen zou ik mijn intuïtie wellicht kunnen overwinnen en het kunstmatige aandoende logische denken blijven volgen.

Maar iets anders is het Godsbewijs zelf. Ik vind het bewijs van Rutte (intuïtief) niet erg sterk en als ik andere commentaren lees en begrijp, zijn er ook veel logische argumenten tegen dit bewijs op te voeren.
Maar waarom überhaupt met een nieuw Godsbewijs komen, anno tweeduizendzoveel?

Er is al heel lang een veel eleganter Godsbewijs. Eentje dat stamt van ongeveer 1076
Het Godsbewijs van Anselmus.
Het gaat ongeveer als volgt;
1 God is per definitie het meest volmaakte en meest machtige dat gedacht kan worden.
2 Iets dat bestaat in zowel gedachte als in de werkelijkheid is volmaakter en machtiger dan dat wat enkel bestaat in je denken(lees; fantasie).
dus: bestaat God.

Dit logische Godsbewijs klinkt mij intuïtief veel beter in de oren.
Maar het getuigt, wat mij betreft eerder van menselijke slimmigheid, dan van het bestaan van God…